Wat één verhuizing losmaakt op een Sportpark

"We willen gewoon een plek waar we kunnen blijven handballen." Dat zei de voorzitter van een handbalvereniging tegen me, helemaal aan het begin van een traject dat op papier over één ding ging. Hun accommodatie verdwijnt, dus ze moeten ergens anders heen. Een verhuizing, meer niet.
Toch bleef die ene zin de dagen erna door mijn hoofd spelen. Want ik weet inmiddels hoe zulke trajecten lopen. Wat begint als de verplaatsing van één sportvereniging, gaat bijna nooit alleen over die ene vereniging.
Een club die moet verhuizen komt zelden op een leeg terrein terecht. Meestal schuift ze aan bij verenigingen die er al jaren zitten, met hun eigen velden, hun eigen kantine en hun eigen manier van doen. En dan blijkt al snel dat de komst van één nieuwe gebruiker raakt aan veel meer dan een dak boven het hoofd. Aan de ruimte op het park. Aan de gebruiksdruk op piekmomenten. Aan de verdeling van kosten en beheer. En, misschien wel het meest, aan de onderlinge verhoudingen.
Je kunt zo'n club er dan met kunst en vliegwerk tussen persen. Of je kunt de vraag omdraaien. Is dit niet juist het moment om niet één vereniging in te passen, maar het hele Sportpark opnieuw te bekijken?
Ik kies bijna altijd voor het tweede. Niet omdat het makkelijker is, want dat is het niet. Maar omdat de aanleiding zelden op zichzelf staat. Op veel parken staat overdag een groot deel van de ruimte leeg. De sportaccommodaties zijn historisch gegroeid rond losse clubs, zonder gezamenlijke afspraken of een gedeelde structuur. Een verhuizing legt die situatie bloot, en biedt tegelijk de kans om het park door te ontwikkelen.
In steeds meer gemeenten zie ik dezelfde beweging. Verenigingen worden samengebracht op één park, voorzieningen gaan over op gedeeld gebruik, en het doel is een toekomstbestendig, multifunctioneel Sportpark dat meer kan betekenen dan alleen verenigingssport. Clustering, heet dat in beleidstaal. Ik noem het liever: een park dat de hele week leeft in plaats van een paar avonden.
Dat een verhuizing zelfs de sleutel kan zijn tot een veel bredere gebiedsopgave, beschreef ik eerder aan de hand van Schiedam in Waarom een Sportpark soms de sleutel is tot een heel gebied.
Waarom een Sportpark soms de sleutel is tot een heel gebied
Dat klinkt logischer dan het is. Want drie clubs op één park betekent ook drie wensenlijsten. De een wil een extra veld, de ander wil uitbreiden, de derde wil vooral houden wat ze hebben. Losse wensen, nog niet bij elkaar op te tellen. Voordat je over ruimte en geld praat, moet je die wensen dus eerst vergelijkbaar maken. Ik doe dat door voor elke club van de eigen bondsrichtlijn uit te gaan als gedeeld en navolgbaar vertrekpunt, aangevuld met de lokale situatie. Niet als norm, wel als eerlijke basis waar iedereen op kan bouwen.
De vraag die daarna komt, is de gevoeligste. Wat gaan we delen, en wat houdt elke club bij voorkeur voor zichzelf?
Sommige dingen liggen voor de hand. Parkeren, entree, publiek sanitair, algemene opslag, dat deel je zonder veel discussie. Andere dingen liggen juist gevoelig. Kleedkamers en de eigen sporttechnische ruimte wil vrijwel elke vereniging in eigen beheer houden. En dan is er de kantine, bijna altijd het lastigste punt, omdat die tegelijk over clubgevoel, over inkomsten en over de hele exploitatie gaat.
Ik heb geleerd om die keuze niet te forceren. Een gedeeld Sportpark werkt alleen als de eigenheid van elke club overeind blijft. Samenwerken waar het logisch is, en eigen houden waar het telt. Dat is geen compromis, dat is de voorwaarde.
Hoe gevoelig gedeeld gebruik in de praktijk wordt zodra eigendom en beheer niet in dezelfde handen liggen, schreef ik eerder in Gedeeld gebruik van sportaccommodaties klinkt simpel, tot eigendom en beheer verschillen.
Gedeeld gebruik van sportaccommodaties klinkt simpel, tot eigendom en beheer verschillen
Een verhuizing oplossen is uiteindelijk het kleinste deel van het werk. Het echte werk zit in het bij elkaar brengen van belangen die niet vanzelf samenvallen, en in het vertalen daarvan naar iets wat ruimtelijk, financieel en maatschappelijk klopt. Een Sportpark ontwikkelen is daarom nooit alleen een bouwopgave. Ik weeg ruimte, exploitatie en draagvlak altijd in samenhang, niet los van elkaar. Dat is precies waar een heldere Sportparkvisie en een gedegen haalbaarheidsonderzoek voor het Sportpark het verschil maken. Ze voorkomen dat een plan vastloopt op losse aannames, en ze geven de gemeente een onderbouwde keuze in plaats van een onderbuikgevoel.
Mijn rol daarin is die van onafhankelijk ontwikkelregisseur. Ik bewaak de samenhang, verbind de belangen en organiseer draagvlak, terwijl de gemeente kaderstellend en eindverantwoordelijk blijft. We bouwen stap voor stap, en zetten niets onomkeerbaars in gang zonder het eerst samen te toetsen. Hoe ik dat precies aanpak, lees je op onze aanpak.
En die voorzitter van de handbalclub? Die wilde gewoon blijven handballen. Terecht. Maar als het goed gaat, krijgt hij straks meer dan dat. Een plek die niet alleen van zijn club is, maar die het hele park, en de wijk eromheen, sterker maakt.
Staat uw Sportpark voor de verhuizing van een vereniging, of voor de vraag of clubs samen verder kunnen op één park? Wij van Saven denken hier graag over mee, en brengen de ontwikkelrichting, het gedeelde gebruik en de exploitatie in samenhang in beeld.

Natasja Heijink
Ontwikkelregisseur maatschappelijke sportlocaties