Fusies beginnen zelden bij het bestuur. Ze beginnen bij de D1 en de jeugd.

Op een sportpark waar ik vorig jaar mee liep, speelden de D1'tjes van twee verschillende clubs al jaren op dezelfde donderdagavond samen, gewoon omdat geen van beide clubs alleen een heel elftal bij elkaar kreeg. Niemand op dat sportpark noemde dat een fusiesignaal. Het was gewoon hoe het al jaren ging, een praktische oplossing waar niemand meer bij stilstond.
Tot de vraag ineens wel werd gesteld, en niet meer bij de jeugd bleef.
Het patroon dat ik telkens terugzie
Dit is geen uitzondering. Ik zie het patroon inmiddels op zoveel plekken terug dat ik het bijna een vaste opbouw ben gaan noemen. Twee clubs die allebei net te weinig kinderen of te weinig damesspeelsters hebben voor een eigen team, besluiten eerst alleen daar samen te werken. Geen fusie, geen bestuurlijke stap, gewoon een pragmatische oplossing voor een concreet, klein probleem. Die samenwerking loopt vaak jarenlang door, soms wel vijf tot tien jaar, voordat iemand de vraag hardop stelt: waarom doen we dit eigenlijk niet helemaal samen?
Landelijke cijfers bevestigen dat dit geen incident is. Sportclubs verdwijnen gestaag, zeven procent van alle verenigingen in tien jaar tijd, bij voetbalclubs specifiek zelfs 755 sinds 2014. Die cijfers zeggen niets over uw eigen sportpark, maar ze bevestigen wel dat het patroon dat ik op de grond zie, breder speelt dan alleen die ene club op die ene donderdagavond.
Waarom dit signaal vanuit het sportpark zelf zo vaak wordt gemist
Vanuit een sportpark of gemeente wordt gedeeld gebruik van jeugdteams zelden gezien als iets waar je iets mee moet. Het wordt beschouwd als een lokale afspraak tussen twee verenigingen, iets waar de sportparkbeheerder part noch deel aan heeft. Dat is ook precies het probleem: terwijl dit stille samenwerkingsstadium soms jaren duurt, gebeurt er aan de kant van het sportpark niets, totdat een van beide clubs plotseling aangeeft niet meer zelfstandig verder te kunnen. Op dat late moment is de ruimte om mee te denken over ontwikkelrichting, of over wat er met een vrijkomende locatie moet gebeuren, al veel kleiner geworden. De beslissing ligt dan al grotendeels vast, en het sportpark volgt alleen nog.
Wat vroege herkenning wel mogelijk maakt
Een sportpark dat weet welke clubs op jeugd- of damesniveau al samenwerken, heeft een aanzienlijke voorsprong. Dat betekent niet dat er meteen actief op een fusie moet worden aangestuurd, dat is aan de verenigingen zelf. Het betekent wel dat er tijd is om vooruit te denken: past een eventuele fusie ruimtelijk op het huidige sportpark, of vraagt het om een andere locatie? En vooral: is er iemand die dit proces begeleidt zodra de verenigingen zelf de stap durven zetten, in plaats van dat iedereen wordt overvallen door een aankondiging.
Dat minder clubs niet automatisch minder sporters betekent, blijkt ook uit wat we eerder al beschreven.
Minder verenigingen, meer sporters: de paradox verklaard
Een fusie tussen sportverenigingen loopt zelden vast op het veld
Herkent u dit patroon al ergens op uw eigen sportpark, misschien wel bij een team dat u zelf ziet spelen? Ik denk er graag over mee, ook als het nog maar bij die ene donderdagavond zit.

Natasja Heijink
Ontwikkelregisseur maatschappelijke sportlocaties