Maatschappelijke waarde ontstaat niet vanzelf, ook niet bij een vol sportpark

Een wethouder legde me een cijfer voor waar hij zichtbaar trots op was: 2,76. Zoveel euro aan maatschappelijke opbrengst levert elke euro die in sport wordt gestoken landelijk gemiddeld op, becijferd door het Kenniscentrum Sport en Bewegen. Zijn vraag was simpel. "Dus onze sportparken doen het goed?"
Het eerlijke antwoord: dat weten we niet zonder naar dat specifieke park te kijken. Een landelijk gemiddelde vertelt wat er mogelijk is, niet wat er bij u daadwerkelijk gebeurt.
Wat bepaalt of die waarde er ook echt is?
Niet de bezettingsgraad. Twee sportparken kunnen exact hetzelfde aantal uren volgeboekt staan en toch een heel verschillende maatschappelijke opbrengst hebben. Het zit in wie er sport, en waarom dat voor die persoon uitmaakt. Voor mensen die kampen met eenzaamheid of een neerslachtige stemming ligt de welzijnswinst van sporten aantoonbaar hoger dan gemiddeld. Een sportpark dat vooral vaste leden bedient die toch al actief en sociaal ingebed zijn, genereert die extra winst niet. Een sportpark dat ook de eenzame buurtbewoner, de oudere zonder netwerk of de jongere met weinig aansluiting weet te bereiken, wel.
Waarom telt een vol sportpark dan niet automatisch als waardevol?
Omdat vol alleen zegt dat er gebruik is, niet door wie. Een sportpark waar drie clubs elkaar afwisselen op dezelfde velden, met dezelfde vaste leden, kan volledig bezet zijn zonder ooit iemand te bereiken die er baat bij zou hebben maar er nu niet komt. De maatschappelijke waarde zit niet in de agenda, maar in de samenstelling van wie er gebruikmaakt van de plek. Dit sluit direct aan op de bredere maatschappelijke opdracht die een Sportpark heeft.
Een Sportpark is meer dan een speelveld: de bredere maatschappelijke opdracht
Wat kunt u daar concreet aan doen?
Drie aanknopingspunten die ik in de praktijk het meest zie werken.
Als eerste: weet wie er nu niet komt. Niet alleen wie lid is, maar welke groepen in de wijk rond het sportpark ondervertegenwoordigd zijn. Dat vraagt een korte vergelijking tussen de wijksamenstelling en het ledenbestand van de verenigingen, iets wat zelden gebeurt omdat het bij niemand expliciet op het bordje ligt.
Als tweede: verlaag de drempel voor die groepen specifiek, niet in algemene zin. "Iedereen is welkom" op een poster verandert niets. Een concreet aanbod op een concreet moment, gekoppeld aan een organisatie die die groep al kent (een welzijnsorganisatie, een zorgpartij, een school), werkt wel.
Als derde: organiseer een vast aanspreekpunt voor dat bredere gebruik. Verenigingen richten zich terecht op hun eigen leden. Iemand moet de verbinding maken naar de groepen daarbuiten, anders gebeurt het niet, hoe goed de intentie ook is.
En de eigen leden dan?
Die blijven het fundament. Dit gaat niet over het verdringen van bestaande leden voor nieuwe doelgroepen, maar over het benutten van de uren en ruimte die nu toch al onbenut blijven. Precies de dal-uren waar we het in andere artikelen al over hadden.
Weet u of uw sportpark op dit moment vooral waarde toevoegt voor wie het toch al goed heeft, of ook voor wie het het hardst nodig heeft? Wij denken graag mee over hoe u dat zichtbaar maakt en vergroot, ook in de bredere context van wat dit kan betekenen voor gemeenten.

Natasja Heijink
Ontwikkelregisseur maatschappelijke sportlocaties