Er is een specialist voor uw grasmat. Wie is de specialist voor uw sportpark?

Ik zocht laatst even rond op wat er eigenlijk allemaal onder Sportpark advies valt in Nederland. En eerlijk gezegd viel ik best van mijn stoel. Er is een bureau dat uitsluitend klimaatstresstests doet voor sportvelden. Er is een specialist die op basis van bodemgesteldheid en waterhuishouding precies berekent wanneer u kunstgras nodig heeft en wanneer natuurgras nog volstaat. Er zijn adviseurs voor drainage, voor verlichting, voor aanlegbestekken, voor het beheer van de grasmat zelf.
Stuk voor stuk vakwerk. En hard nodig, want een sportveld dat verzuipt bij de eerste regenbui helpt niemand.
Maar toen viel me iets anders op. Al die expertise gaat over het veld. Over de ondergrond. Over het gras. Nergens vond ik een vergelijkbare, even scherp gedefinieerde specialist voor het sportpark als geheel. Voor de vraag wie er straks eigenlijk beheert wat. Voor de vraag of drie verenigingen samen nog wel op één stuk grond passen. Voor de vraag of een investering zich financieel terugbetaalt voordat een wethouder daar een handtekening onder zet.
Twee heel verschillende soorten kennis
Ik snap wel waarom dat zo gegroeid is. Techniek is tastbaar. Een grasmat kun je meten, bemonsteren, doorrekenen. Er is een norm, een protocol, een duidelijke uitkomst. Dat leent zich uitstekend voor gespecialiseerde bureaus die zich daar helemaal op toeleggen.
Organisatie is dat niet. Hoe je drie verenigingen op één park tot samenwerking beweegt, wie straks de kantine beheert, hoe je kosten eerlijk verdeelt zonder dat de kleinste club het onderspit delft, dat laat zich niet in een protocol vangen. Het is mensenwerk. Belangenwerk. En misschien wel juist daarom wordt het vaak overgeslagen, of stilzwijgend bij de gemeente zelf neergelegd, terwijl die er meestal geen tijd of specifieke ervaring voor heeft.
Het gevolg zie ik geregeld terug. Een gemeente die drie verschillende technische bureaus heeft ingehuurd, voor het gras, voor het klimaat, voor de aanleg, maar niemand die het geheel overziet. Niemand die kijkt of die drie adviezen eigenlijk wel bij elkaar passen. Niemand die de verenigingen erbij betrekt voordat de schop de grond in gaat.
Waarom die twee elkaar nodig hebben, niet vervangen
Ik wil hier geen misverstand laten ontstaan. Ik pleit niet tegen die technische expertise, integendeel. Een goed Haalbaarheidsonderzoek voor een sportpark heeft die kennis juist nodig. Weten of de bodem geschikt is, wat onderhoud gaat kosten, hoe klimaatbestendig een veld is, dat is allemaal cruciale input voor een verantwoorde keuze.
Het probleem ontstaat pas wanneer die technische stukjes los van elkaar blijven liggen. Als niemand ze samenbrengt met de vraag hoe verenigingen ermee omgaan, wat het park financieel haalbaar maakt, en hoe je dat organisatorisch verankert. Dan krijgt u een prachtig technisch rapport over een grasmat, terwijl de vraag die er eigenlijk toe doet, of dit sportpark over tien jaar nog werkt voor de mensen die er komen, onbeantwoord blijft.
Dat is precies waar ik mijn eigen rol als Sportpark advies zie, niet in de techniek, maar in de organisatie eromheen. Niet als vervanging van de technische specialist, maar als degene die de puzzelstukken bij elkaar legt. Die een Sportparkvisie opstelt waar de techniek in past, in plaats van andersom. Die kijkt naar exploitatie, naar draagvlak, naar wie straks welke verantwoordelijkheid draagt, zodat een technisch advies ook daadwerkelijk landt in een werkbaar, gedragen plan.
Heeft u zelf een sportpark waar de techniek wel goed geregeld is, maar de organisatie nog los zand? Dat hoor ik vaker dan u zou denken. En dat is precies waar ik graag het gesprek over aanga.

Natasja Heijink
Ontwikkelregisseur maatschappelijke sportlocaties