Alle artikelen

Park Noord zit voller dan Park Zuid. Toch is Park Zuid optimaler gebruikt.

Illustratie van twee sportparken naast elkaar: links een druk bezet park met sportvelden en verlichting, rechts een rustiger park met school, wandelpaden en diverse gebruikers

Park Noord zit op dinsdag- en donderdagavond helemaal vol. Ook op zaterdagochtend is er nauwelijks een veld vrij. Over het hele jaar gerekend komt Park Noord uit op een bezetting van 78 procent. Een indrukwekkend cijfer, het soort cijfer waarmee een sportbedrijf trots naar de gemeenteraad stapt.

Park Zuid, tien kilometer verderop, haalt 52 procent. Op papier het mindere park.

En toch is Park Zuid het park dat optimaler wordt gebruikt.

Wat er in die twee cijfers schuilgaat

De 78 procent van Park Noord bestaat vrijwel volledig uit trainingen en wedstrijden van de drie clubs die er spelen. Doordeweeks overdag, en op zondagmiddag, staat het park leeg. Niemand die daar last van heeft, want niemand kijkt naar die uren. Ze tellen simpelweg niet mee in het gemiddelde dat wordt gerapporteerd.

Park Zuid heeft diezelfde lege ochtenden. Alleen zijn ze daar niet leeg. Op maandag- en woensdagochtend gebruikt de basisschool ernaast het hoofdveld voor gymlessen. Op dinsdagmiddag traint een beweeggroep voor ouderen op het kleinste veld. Op donderdag staat de kantine open voor een buurtinitiatief dat niets met sport te maken heeft, maar wel met de mensen die er wonen. Geen van die momenten haalt de bezettingsstatistiek van de sportclubs, want daar worden ze niet in meegeteld. Vandaar het lagere percentage.

Waar het verschil echt in zit

Stel dat beide parken morgen hun laatste lege uren zouden invullen. Park Noord kan dat alleen nog met meer trainingsuren voor de bestaande clubs, want die vullen de piekmomenten al. Park Zuid kan die uren nog geven aan groepen die nu nog helemaal geen plek hebben.

Dat is het onderscheid dat een bezettingspercentage niet laat zien. Optimaal gebruik gaat niet over hoeveel uren er zijn volgeboekt. Het gaat over wie er in die uren staat, en of dat de uren zijn waarop die groep ook daadwerkelijk kan.

Een school kan niet 's avonds gymlessen geven. Een ouderengroep plant niet op zaterdagochtend, wanneer de jeugdteams spelen. Precies de uren die voor een sportclub onaantrekkelijk zijn, zijn voor deze groepen vaak de enige die werken. Dat maakt de dal-uren van een Sportpark niet een probleem dat om meer clubs vraagt, maar een kans die om andere gebruikers vraagt.

Wat dit betekent voor de vraag "hoe krijgen we ons Sportpark voller"

Die vraag stellen wij liever niet meer zo. Voller is het verkeerde doel. De vraag die ertoe doet: welke uren staan structureel leeg, en wie zou daar juist wel iets aan hebben. Dat is een andere zoektocht dan een extra veld aanleggen of een clubfusie forceren. Het begint bij in kaart brengen welke uren precies leeg blijven, en welke partijen in de buurt daar wat aan zouden kunnen hebben: een school, een zorginstelling, een welzijnsorganisatie, of gewoon de buurt zelf.

SportlocatieScan bracht deze vraag eerder in kaart vanuit de meetkant: hoe stelt u vast of uw Sportpark daadwerkelijk optimaal wordt gebruikt, los van het bezettingspercentage. Deze wat-doe-je-als-vraag, wat u vervolgens met die dal-uren doet, is precies waar wij verder gaan.

Weet u of uw Sportpark eruitziet als Park Noord of als Park Zuid, en wat er met de lege uren zou kunnen gebeuren? Wij denken hier graag over mee.

Portret van Natasja

Natasja Heijink

Ontwikkelregisseur maatschappelijke sportlocaties

Neem contact op

SportlocatieScan schreef over de vraag ervoor: hoe u vaststelt of uw sportpark daadwerkelijk optimaal wordt gebruikt.

Lees het artikel van SportlocatieScan